Theorie

Te diepe slaap / wekbaarheid

Uit 24-uurs EEG-registratie is gebleken dat enuresis nocturna zich in alle fasen van de slaap voordoet. Daarom is de wijd verbreide theorie dat kinderen 'te diep slapen' onjuist. Kinderen met en zonder enuresis hebben hetzelfde slaappatroon.
In recent onderzoek is aangetoond dat kinderen die bedplassen een hoge wekdrempel hebben.
Ze worden niet wakker op het signaal van een volle blaas waardoor de centraal geregelde beheersing van mictiedrang achterwege blijft. Als men kinderen met enuresis nocturna dan ook nog eens extra wil laten plassen, b.v. voordat de ouders slapen gaan, dan is het van belang ze goed wakker te maken (b.v. door hen iedere avond een ander wachtwoord te laten zeggen).

Psychosociale factoren

Ten aanzien van psychosociale problemen bij kinderen met enuresis is het moeilijk te bepalen wat primair is en wat secundair. Dat bedplassen een lastig probleem is, dat soms verregaande gevolgen kan hebben, is evident, althans voor iedereen die direct of indirect met dit probleem te maken heeft. Zij zijn het er allemaal over eens: bedplassen gaat gepaard met ongemak en kan zelfs leiden tot een totaal verstoord gezinsleven. hoe ouder het kind wordt, hoe groter vaak de schaamte en de kans op stigmatisering en sociaal isolement. Enuresis kan het gevolg zijn van psychische moeilijkheden, maar deze gevallen vormen een minderheid.
Bij secundaire enuresis springt soms wel een psychosociaal moment naar voren (naar school gaan, Sinterklaas, broertje erbij, enz.).
Wetenschappelijk onderzoek naar de psychosociale gevolgen van bedplassen is echter nog schaars. Nederlands onderzoek wijst uit dat kinderen die in bed plassen dit probleem inderdaad beschouwden als ťťn van de ergere levensgebeurtenissen: zij scoorden het bedplassen als derde "ergst" direct na echtscheiding van en ruzie tussen de ouders. Dit in tegenstelling tot hun leeftijdgenoten, die niet in bed plassen, en dit probleem laag op de ranglijst inschaalden.
Uit onderzoek blijkt dat kinderen met enuresis nocturna een duidelijk lager zelfbeeld hebben dan een gezonde controlegroep en zelfs lager dan een groep chronische zieke leeftijdgenoten. Voor wat betreft het "sociaal functioneren" scoorden de bedplassende kinderen eveneens het laagst.
Om na te kunnen gaan in hoeverre psychosociale problemen bij bedplassen secundair zijn aan het bedplassen en niet primair, moet worden gekeken naar het effect van succesvolle behandeling van bedplassen op psychosociale parameters. Hierbij blijkt dat vooral het zelfbeeld van een kind met enuresis nocturna vaak verbetert, of dat gedragsproblemen significant verminderen na een succesvolle behandeling.

Bedplassen kan dus resulteren in gedragsproblemen en een laag zelfbeeld. Dit laatste is vanuit de ontwikkelingspsychologie gezien een belangrijk gegeven: een negatief zelfbeeld kan immers een normale ontwikkeling van sociale vaardigheden en andere psychologische kenmerken in de weg staan.

Beperkte blaascapaciteit / instabiele blaas

Er blijkt nauwelijks verschil in blaascapaciteit tussen kinderen met en zonder enuresis. Het kleine verschil dat wel gevonden wordt, zou ook een gevolg van de enuresis kunnen zijn.
Een instabiele blaas, of een instabiliteit van de m. detrusor, wordt tegenwoordig evenmin als een oorzaak van enuresis gezien. Wel bestaat er een (kleine) groep (3%) van vooral meisjes met enuresis nocturna die, ten gevolge van recidiverende urineweginfecties, een blaas ontwikkeld met een te kleine capaciteit en die te snel contraheert (instabiele blaas).

Urineproduktie 's nachts (ADH)

In normale gevallen is de produktie van het antidiuretisch hormoon (ADH, vasopressine) 's nachts hoger dan overdag.
Bij kinderen (en ook bij volwassenen) met enuresis nocturna kan er sprake zijn van minimaal verschil tussen de vasopressine-produktie overdag en 's nachts. Gevolg is een onverminderde produktie van laag-geconcentreerde urine 's nachts en een volle blaas.
Met name door de beschikbaarheid van een vasopressine-analogen, het anti-diureticum desmopressine, staan deze theorie en de medicamenteuze therapie van enuresis de laatste jaren sterk in de belangstelling

Familiaire factoren, erfelijkheid of erfelijke factoren.

Erfelijke factoren kunnen ook een rol spelen bij het ontstaan van bedplassen, met name bij kinderen waarvan ťťn van de ouders of grootouders laat droog was. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat zeventig tot tachtig procent van de kinderen met primaire enuresis nocturna ťťn of meer familieleden hebben die ook in bed plassen of hebben geplast. Vroeger werd dit vooral toegeschreven aan familiaire psychosociale factoren die tot enuresis leiden. Sinds een uitgebreid tweelingenonderzoek, waarbij monozygote tweelingen een veel sterkere concordantie voor enuresis nocturna hadden, bleek de herediteit als zuivere oorzakelijke factor.

In een recent onderzoek zijn bij een groep bedplassers met positieve familie-anamnese sterke aanwijzingen gevonden voor een dominante overerving van primaire enuresis nocturna via een gen gelegen op chromosoom 13q.

Somatische afwijkingen

98% van de kinderen met enuresis nocturna hebben geen somatische afwijkingen!

Dit hoge percentage rechtvaardigt enerzijds een terughoudendheid bij verdergaande diagnostiek, anderzijds moet men om wille van de resterende 2% gespitst zijn op mogelijkheid van onderliggende somatische afwijkingen. Dit geldt met name bij het tegelijkertijd vůůrkomen van enuresis diurna.
Mogelijke somatische afwijkingen bij enuresis zijn: urineweginfekties, urologische afwijkingen, neurologische stoornissen (myelomeningocele) en polyurie t.g.v. diabetes mellitus, diabetes insipidus of nier-insufficiŽntie.
Ook epilepsie kan een (zeldzame) oorzaak van enuresis nocturna zijn.
Anamnestisch kan vaak een somatische oorzaak vermoed worden. Vaak betreft het dan geen 'gewone' enuresis nocturna, maar is er een afwijkend mictiepatroon (imperatieve aandrang, pijnlijke mictie, continu druppelen etc.)

Gewijzigd op 8-11-2001 11:47:49